Terugkeer tot de Heer

“Maar dan moet u aan de HEER gehoorzamen en alle geboden en voorschriften onderhouden die in dit wetboek staan opgetekend; dan moet u met heel uw hart en heel uw ziel terugkeren tot de HEER uw God. De geboden die ik u vandaag geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal naar de hemel gaan om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ Ze zijn niet overzee en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal de zee oversteken om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ Nee, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen.”
Deut. 30:10-14.

Als ik op 11 juli 2010 naar een Eucharistieviering zou zijn gegaan, dan had ik deze woorden tijdens de eerste lezing uit de mond van een lector gehoord. Maar ik ging al jaren niet meer naar de kerk. Ik kon ook niet vermoeden dat God had besloten dat ik op deze dag moest terugkeren tot de Heer en dat dit mijn laatste dag als atheïst was geweest. Er zouden nog genoeg zondagen volgen waarin ik weer braaf in de kerkbanken naar de lezingen zou luisteren, maar op deze zondag zat ik depressief in mijn auto en reed ik op een landweggetje in Wallonië.

Ik had de kerktoren al van verre boven het plaatsje zien opdoemen. Nu zag ik ook de plaatsnaam: Walcourt. “Jezus, wat is het heet,” dacht ik, terwijl ik het zweet langs mijn rug voelde stromen. Ik voelde me verloren. Ik was vast van plan geweest op deze dag mijn leven opnieuw op te pakken; dingen te gaan doen die ik leuk vond, dingen waar ik zoveel energie van kreeg toen ik nog een gezin had. Het was een fiasco geworden. Weer een rotdag in een eindeloze reeks van rotdagen.

Walcourt vanuit de verte
De kerktoren van Walcourt valt al van verre op.

Eerder die week was mijn dochtertje 2 jaar geworden. Ik was er niet bij geweest. De laatste keer dat ik haar had gezien was in april, toen ik haar en mijn vriendin op Schiphol had afgezet. We hadden ruzie. De stemming in de auto was grimmig geweest, en we hadden geen woord gewisseld. Toen ze op het vliegveld door de eerste controle richting de gates gingen, en ik niet verder mee kon lopen, keek mijn dochter nog een keer om en strekte haar armpje naar mij uit. “Pappa,” riep ze, niet begrijpend waarom ik bleef staan. Geïrriteerd trok mijn vriendin haar aan haar andere arm mee. Het hoge woord was er nog niet uit geweest, maar diep van binnen wist ik al dat dit de laatste blik zou zijn die ik van mijn dochter had opgevangen. Het was het moment waarop mijn vaderhart definitief brak. “Pappa.” Het zou nog lang nagalmen.

“Het enige plezier dat ik nog heb is de gedachte hoeveel pijn het je zal doen als je je dochter niet meer ziet,” schreef mijn inmiddels ex-vriendin me later. “Ik hoop dat het je opvreet van binnen en dat je sterft met de wetenschap wat je hebt verloren.” Bikkelharde woorden, zorgvuldig gekozen om me te kwetsen, maar het was waar. Het vrat me op en ik voelde me ook dood van binnen. Ik ging nog elke dag naar mijn werk, deed daar mijn best om zo normaal mogelijk over te komen, maar thuisgekomen sloot ik mezelf af van de buitenwereld.

Ik nam de telefoon niet op, las geen e-mail en geen post meer. Als ik dan toch dringend om boodschappen moest, rende ik zo snel mogelijk door de supermarkt, want als ik ook maar een blik opving van de schappen met luiers en peutervoeding dan haalde ik de kassa niet zonder in tranen uit te barsten. Zo ging het een aantal maanden lang.

Juli werd ontzettend heet, en ik voelde de aandrang om naar buiten te gaan. Ik wist dat ik niet eeuwig kon blijven rouwen. Misschien zou mijn dochter op een dag naar me op zoek gaan, en dan mocht het toch niet zo zijn dat ik in een gesticht zat, of erger nog, dat ik mezelf zou hebben opgeknoopt. Ik wist dat dat geen optie was. Ik had hoe dan ook een verantwoordelijkheid als vader, dus moest ik mezelf ertoe dwingen om in staat te zijn die taak weer op me te nemen zodra de kans zich voor zou doen. “Ik moet mijn leven weer oppakken,” dacht ik op die bewuste ochtend van 11 juli. De zon scheen fel, en ik realiseerde me dat als mijn gezinnetje die zondag nog compleet was geweest, ik de auto zou hebben gepakt en er een leuk dagje uit van zou hebben gemaakt. Ik praatte mezelf moed in: “Nou, kom op Jaap, dan ga je toch gewoon lekker in je eentje.”

Ik startte mijn laptop op, opende mijn browser, en ging naar Google Maps. Precies zoals ik vroeger ook zou hebben gedaan, scanden mijn ogen over de Benelux op zoek naar wat inspiratie. Een plek op de kaart waarop ik kon inzoomen om een leuk gezinsuitje te vinden. Hé, wat blauwe vlekjes ergens onder Charleroi. Terwijl ik scrollend inzoomde, werd de naam zichtbaar: Lac de l’Eau d’Heure. Even googelen dan maar. Al snel leerde ik dat er rondom de meren van l’Eau d’Heure van allerlei activiteiten waren. “Perfect,” dacht ik, “daarmee kan ik mijzelf wel wat afleiden.” Snel sprong ik in mijn auto op weg naar de Belgische Ardennen.

Toen ik daar uiteindelijk was aangekomen en een parkeerterrein had gevonden, slenterde ik richting het meer. Het zag er erg druk uit op het water. Er waren veel mensen met jetski’s en het leek erop dat er een wedstrijd gaande was. Wat deed ik hier eigenlijk tussen al deze mensen? Ik ging op het gras zitten en keek verloren om me heen. “Stomkop,” dacht ik bij mezelf, “ik had toch kunnen weten dat watersportactiviteiten me helemaal niet zouden boeien.” Ik stond op en kuierde terug naar mijn auto. Er zou vast wel iets anders in deze omgeving te vinden zijn.

Een tijdje reed ik doelloos rond, tot ik voor de tweede maal langs hetzelfde overdekte zwembad reed en besloot daar dan maar te stoppen. Ik betaalde, kleedde me om en vond een plekje ergens buiten in het gras. Ik keek om me heen. Er waren voornamelijk veel tieners, die zich bezighielden met typische tienerdingen. De jongens sloofden zich uit met het hooghouden van een voetbal terwijl de meisjes lagen te bruinen in de zon. Een enkel stelletje lag op een handdoek te zoenen. Ik zuchtte en liep naar binnen, het overdekte gedeelte in. Ik zwom wat rond, maar ik verveelde me ontzettend, dus ging ik weer naar buiten om daar vervolgens een half uurtje in de zon te liggen. Ik lag mijn tijd te verdoen. Ik voelde me hol van binnen. Uiteindelijk pakte ik mijn spullen, kleedde me weer om, en stapte wederom in de auto.

Al rijdend over een landweggetje, zag ik een kerktoren boven een plaatsje uitsteken. Ik nam mezelf voor dat ik nog even die plaats verderop zou bezoeken. Misschien was daar wel iets interessants te beleven. Zo niet, dan zou ik wel weer terug naar huis keren. In de berm zag ik een wit bord, waarin met zwarte letters ‘Walcourt’ stond aangegeven. “Jezus, wat is het heet.” Ik begon me steeds meer af te vragen waarom ik ervoor had gekozen om die dag op pad te gaan. Het was een zinloos idee geweest. Ik kon mezelf toch niet dwingen om weer plezier in het leven te hebben?

Even later draaide ik langs een prachtig kerkgebouw het Grand Place van Walcourt op. Ik parkeerde mijn auto, en merkte op dat het plein verdacht stil en leeg was. De buitenwereld was nog steeds even doods als ik van binnen. “Godverdomme,” vloekte ik hardop en sloeg met mijn vuist op het stuur, waarbij ik per ongeluk claxonneerde. Een man en een vrouw, die uit een ijssalon kwamen, keken verschrikt mijn richting uit, en ik voelde mijn gezicht rood worden. Ach, dacht ik nu echt dat ik er iets mee zou opschieten om de God waarin ik al meer dan 15 jaar niet meer geloofde te vervloeken?

Ik twijfelde even, maar besloot toch uit te stappen en begaf me richting de brede, stenen traptreden naar de deur van het imposante kerkgebouw. Later zou ik leren dat dit de Sint-Maternusbasiliek was, maar op dat moment liep ik diep in gedachten het gebouw binnen en negeerde de folders bij de ingang. Wat deed ik hier nu eigenlijk? Misschien was het hier binnen in ieder geval wat koeler dan buiten. Eenmaal in de basiliek liep ik richting een beeld van Jezus. Ondanks dat ik me jarenlang tegen de kerk had verzet, had ik nog altijd de gewoonte om als ik voorbij een mooie kerk of kathedraal kwam eventjes naar binnen te glippen om een kaarsje aan te steken. Mijn overleden grootouders waren immers gelovige mensen, en ik eerde graag hun nagedachtenis door zo af en toe een kaarsje in een willekeurig kerkgebouw op te steken. Dan voelde ik me altijd weer heel even met ze verbonden en wist ik heel zeker dat ze gelukkig op me neerkeken vanuit de hemel waarvan ik ook heel zeker wist dat die niet bestond. Ik stond dus voor het beeld van Jezus, stopte een euro in het offerblok, pakte een kaars, stak het aan en sloeg een kruisteken. Weer zo’n vreemd gebruik uit mijn kinderjaren dat ik maar niet afgeleerd kreeg.

Een beetje beschaamd keek ik naar mijn voeten, en terwijl ik een brok in mijn keel voelde opkomen, sprak ik zachtjes: “Och, Heer, als ik dan echt niet meer als vader voor mijn kind mag zorgen, dan smeek ik U, alstublieft, zorg toch voor haar. Ik had het zo graag zelf gedaan, maar nu vraag ik U maar om een vader voor haar te zijn.” En terwijl ik mijn tranen niet meer kon bedwingen, keek ik omhoog naar de beeltenis van Jezus Christus, die me vanaf zijn sokkel met open armen medelevend aan scheen te kijken. En er gebeurde iets wonderbaarlijks. Voor mij stond niet langer een standbeeld. Ja, het was natuurlijk nog steeds een beeld, maar opeens was het méér dan dat. Zonder ook maar een millimeter te bewegen, scheen het beeld vol te zijn met leven. Met liefde. Voor mij stond de Jezus uit mijn eigen kinderjaren. Een vaderfiguur. Ondanks dat God meestal ‘Vader’ wordt genoemd, en Jezus ‘Zoon’, had ik als kind Jezus altijd meer als een soort van vader beschouwd. In de verhalen die we in de kerk en tijdens de kinderwoorddienst hoorden, stond Hij namelijk een stuk dichterbij en was Hij veel menselijker dan Zijn zo abstracte Goddelijke Vader.

Ik begon steeds luider te snikken en te snotteren. Daar stond ik dan: 32 jaar en huilend als een kind van 10 dat beschaamd terugkeert naar zijn ouders na boos te zijn weggelopen. En daar stond Jezus: als een vader die ook wel wist dat zijn kind slechts in een kwaad humeur met zijn rugzakje een rondje door het dorp was gelopen en hem nu liefdevol terug verwelkomde. “Oké, kom maar op met je verdriet,” leek Hij te zeggen. En op dat moment geloofde ik écht. Ik twijfelde er geen moment aan dat Jezus Christus in hoogst eigen persoon voor me stond. En dus deed ik wat iedere zichzelf respecterende atheïst zou doen: ik werd boos en opstandig, en ging een discussie aan met God die ik gedoemd was te verliezen. Want ja, ik had al genoeg aan mijn hoofd, en een soort van mystieke ervaring, die mijn leven nog verder overhoop zou gooien, daar zat ik nu dus echt niet op te wachten.

Mijn boosheid won het van mijn tranen, en in mijn gedachten zei ik woedend: “Kom maar op met je verdriet? Wat denk je wel niet? Heb je enig idee hoe het is om tegen een God die je niet eens kunt zien te zeggen: nou, wees jij dan maar een vader voor mijn kind? Heel fraai hoor!” Maar weer gebeurde er iets wonderbaarlijks. Ik kalmeerde en dacht: “Zij weet hoe het is.” Deze gedachte verbaasde mij meteen, aangezien zij volstrekt bizar en onlogisch was. Ik keek een beetje vertwijfeld om me heen en mijn blik viel vrij snel op een beeld even verderop: de Maagd Maria. “Zij weet het,” herhaalden mijn gedachten, en op dat moment besefte ik dat Maria inderdaad ook haar eigen kind aan God had moeten toevertrouwen. Wat moet zij ontzettend hebben geleden, dacht ik, en ik voelde mijn tranen weer opkomen. Ik liep naar haar toe. Het beeld was anders dan andere Mariabeelden die ik tot dan toe had gezien, maar er was geen twijfel mogelijk wie ik daar voor me zag. De Heilige Moeder, met de jonge Jezus op haar schoot. “Maria, als God dan als een vader over mijn dochter waakt, mag ik dan bij u wat steun vinden? U begrijpt het toch?” fluisterde ik.

Het mirakelbeeldje in de Sint-Maternusbasiliek

Ik voelde een ontzettende kalmte en troost over me komen en enkele minuten stond ik stilzwijgend naar Maria te staren. “Ja, ik begrijp het,” leek ze me te verzekeren. Later zou ik lezen dat er rondom dit eigenaardige Mariabeeldje al heel wat wonderen zijn gebeurd, en er zelfs jaarlijks een processie plaatsvindt ter ere van van Maria, waarbij dit miraculeuze beeld wordt rondgedragen. Maar op deze hete dag in juli was ik me daar niet van bewust en na enkele minuten begon de twijfel weer toe te slaan. “Ja, allemaal mooi en aardig hoor,” zei ik tegen mezelf, “maar ik heb altijd al geroepen dat het geloof iets is voor zwakkelingen die een steuntje nodig hebben! ‘A crutch’ zegt men in het Engels. Een kruk, want je moet geestelijk wel erg kreupel zijn om op een religie te moeten steunen. En ik ben op het moment erg kwetsbaar, dus het is logisch dat ik steun zoek. Als dit allemaal voorbij is, dan denk ik er vast anders over.”

Weer was er die andere stem in mezelf, hoewel het eigenlijk geen stem was. Het was zoals mijn eigen gedachten, behalve dan dat ik als een idioot met mijzelf in discussie was. “O ja? Een steuntje voor zwakkelingen? Je zat toch niet op een mystieke ervaring te wachten? Je had toch al genoeg aan je hoofd? Moet je ook nog eens alles wat je tot nu hebt geloofd gaan herzien! Dat is nogal een opgave. Je moet je kruis gaan dragen en je wereldbeeld opnieuw vaststellen. Niet echt iets voor zwakkelingen.” Mijn kruis dragen? Wat een rare gedachte! Wat het ook zou mogen betekenen, ik kreeg op dat moment opeens het gevoel dat Jezus me een hand aanreikte. Dit gevoel was heel sterk en in mijn verbeelding zag ik mezelf twijfelend staan kijken naar Zijn uitgestrekte arm. Ik wist niet zo goed wat ik er mee moest.

Ik was nogal in de war van al deze vreemde gedachten en draaide me weg van het Mariabeeld. Voor het eerst vielen mij de muren van de basiliek mij op. Ik keek om me heen en zag een muur volledig gedecoreerd met … krukken. Ik wist even niet wat me overkwam en moest flauw lachen. Had ik niet zojuist het geloof nog met dit soort krukken vergeleken? Als ik er niet zelf bij was geweest, zou ik het niet hebben geloofd. Ik begon dan ook steeds sterker het gevoel te krijgen dat God een loopje met me nam. Die God in wie ik niet geloofde, maar wiens Zoon zojuist voor me had gestaan. Wiens moeder me zojuist had getroost. En die gedachten die van mezelf waren en toch ook niet. Was ik mezelf voor de gek aan het houden of was dit nu wat men bedoelde met een gesprek met God aangaan? Waren dit krukken van mensen die hier spontaan waren genezen? Had het geloof hen dan kracht in plaats van steun geboden? Had Jezus hen dan ook een hand aangereikt? Ik kreeg een beetje een tegenstrijdig gevoel. Vroeg Hij me nu om mijn krukken los te laten of om mijn kruis te dragen? Het leek allebei waar te zijn. Weer was er dat eigenaardige gevoel van een hand die me werd aangereikt. Het liet me maar niet los. Verward besloot ik verder te kijken in dit Gotische kerkgebouw.

Krukken van pelgrims die zijn genezen in de basiliek

Het doksaal was prachtig, maar ik besteedde er maar weinig aandacht aan. Ik liep verder en vond de staties van de kruisweg, heel mooi in reliëf uitgebeeld. Ik zag hoe Jezus werd veroordeeld en vervolgens zijn kruis opnam. Weer die symboliek: een kruis op je nemen. Ik begreep het niet zo goed. Ik had sowieso nooit de christelijke fascinatie begrepen voor een dode God die aan een stuk hout hangt. Kijk nou, op deze derde statie viel Hij zelf toch ook onder het gewicht? Wat werd er dan van mij verwacht? Maar toen kwam Maria weer in beeld. Maria, die moest toezien hoe haar ter dood veroordeelde zoon met kruis en al zijn einde tegemoet liep. Weer werd ik overmand door verdriet. Het lijden van Maria was onbeschrijflijk en dan liep ik te klagen over een kind dat tenminste nog leefde! Wat straalde deze vrouw een combinatie van moederliefde, verdriet, maar vooral ook kracht uit. Tot op de dag van vandaag kan deze vierde statie me hevig emotioneren. Maar ik liep verder en bekeek alle afbeeldingen zorgvuldig tot ik bij de dood van Jezus aan het kruis was aangekomen, en toen begreep ik het. Alles werd me duidelijk toen ik deze twaalfde statie in me opnam. Waarom die christenen toch zo’n fascinatie voor een gekruisigde mens-god hadden. Waarom ik mijn eigen kruis op me moest nemen.

Heel mijn eigen miserabele leven had me uiteindelijk in deze kerk, ergens in de middle-of- nowhere in België doen belanden om te zien hoe een onschuldig man, een vleesgeworden God, zich door zijn eigen schepsels aan het kruis had laten nagelen. En waarom? Als bloedoffer voor onze zonden. Om onze schuld aan Zijn Vader in te lossen. Niet alleen die van mij, niet alleen voor mijn eigen trieste leventje, maar dat van alle mensen die ooit hadden geleefd en ooit zouden leven. God, wat voelde ik me nietig toen ik me dat realiseerde. Hoe groot waren mijn problemen nu eigenlijk als Hij was gestorven voor de sores van miljarden anderen naast mij? Ja, natuurlijk ging ik een moeilijke en verdrietige periode door, maar maakte dat niet gewoon deel uit van het leven? Was dat dan niet de aanleiding geweest dat ik hier nu stond? En als de Heer ook voor mij had geleden, (waar ik opeens van overtuigd leek te zijn,) was ik het dan niet aan Hem verschuldigd mijn kruis op me te nemen, net zoals Simon van Cyrene Hem met Zijn kruis had geholpen? In het diepst van mijn wezen, wist ik het op dat moment zeker. Die man daar was zo’n tweeduizend jaar geleden aan het kruis gestorven, was wonderbaarlijk genoeg ook weer verrezen en had zich, God-weet-waarom, op deze bloedhete zondag genoodzaakt gevoeld zich aan mij te openbaren. En ook al was ik maar een dwalende zondaar, die het niet eens verdiende, ik hoefde op dat moment slechts één ding te doen: Zijn uitgestoken hand aannemen. Dát was wat Hij van me wilde, en het betekende dat ik nu de opdracht had zijn woord opnieuw te onderzoeken en mijn wereldbeeld te heroverwegen. Geen gemakkelijke opgave, maar wel een opgave die me met liefde en in genade werd uitgereikt.

Mijn twijfels leken als sneeuw voor de zon verdwenen, en ik wist wat me te doen stond. Even sloot ik mijn ogen, sloeg toen een kruisteken en verliet de kerk zonder de rest van haar pracht en praal te bezichtigen. Ik had gevonden waar ik die dag voor was gekomen. Ik liep terug naar mijn auto, reed Walcourt uit, en zette toen mijn auto stil aan de kant van de weg. Heel even had ik een moment nodig om een paar keer diep adem te halen en mijn moed te verzamelen. Ik startte de auto weer. Tijd om te beginnen aan mijn lange reis terug naar huis. Een reis met een nieuwe opdracht. Een reis terug naar Zijn heilige, katholieke kerk.

, , , , , , ,

Jaap de Wit

Jaap is geboren in 1978 in het wonderschone Bergen op Zoom, en thans woonachtig in Gouda. Overdag is hij software engineer en ‘s avonds is hij Rooms-Katholiek. Hoewel hij kort na zijn geboorte al een tijdje katholiek is geweest, was hij jarenlang atheïst. Op een dag in 2010 liep hij per abuis tegen het het ware geloof aan en sindsdien zit hij weer stevig in de kerkbanken. Sinds 2012 is hij enthousiast lid van Koor Padua en sinds 2014 is hij ook acoliet in Gouda.

Alle berichten van Jaap


17 reacties op “Terugkeer tot de Heer”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *